Betekenis
1. Beroepsnaam van de slagboomwachter, de man die de (sluit)boom open- en dichtdoet. Vergelijk Duits Bo(o)mer, Bumer; Baumer: die aan een slagboom woont, tolinner. 2. Beroepsnaam van de man die de ketting op de kettingboom windt, die opboomt; van Middelnederlands bo(o)men: garen op de weversboom brengen.